Esther Quatfass

Vergevingsgezindheid en rancune liggen in elkaars verlengde. Net als liefde en haat. Als ik mij concentreer op wat Stef heeft doorgemaakt en hoe hij voor de rest van zijn leven is verminkt, als ik mij concentreer op alles wat we hebben verloren en niet meer kunnen doen, dan zie ik achter die gedachten de starende ogen van een naargeestig wezen dat erop uit is mijn ziel te vermorzelen. Het wil me laten voelen hoeveel pijn het doet, hoeveel verdriet er is. Het wil dat ik boos ben, dat ik haat, en als ik het de ruimte zou geven, zou het willen dat ik wraakzuchtig was.

Ze zag de lichten. De ander. Twee felle stralen in een donkere, ijzige wereld. Ze kwam uit een bocht en reed een flauwe helling af. Een jonge vrouw alleen. Ze had haar zoontje van anderhalf mee willen nemen, maar bedacht zich op het laatste moment.

Op de intensive care afdeling verzekerde de curator mij dat ik boos op die ander mocht zijn. Dat ik mocht wensen dat het met haar slechter zou aflopen dan met Stef. Ze verzekerde mij dat dat menselijke gevoelens waren.

Maar ik was niet boos op haar. Ik wilde niet dat het slechter met haar ging dan met Stef. Ik was juist blij te horen dat ze niet zwaar gewond was.

Een half jaar later kwam ze, heel dapper, bij ons op bezoek. Zodra ze binnen was, omhelsden Stef en zij elkaar, zonder rancunes. Toen zag ik voor het eerst dat je als vreemden een sterke emotionele connectie kunt hebben. Op een bepaalde manier zullen die twee voor altijd met elkaar verbonden zijn.

Ze herinnert zich bijna alles nog, heeft het zien gebeuren. Ze reed met negentig kilometer per uur aan de toegestane maximale snelheid. Haar auto stond ingesteld op de cruise controle, zei ze. Het enige wat ze niet weet is of ze op haar, of op Stefs weghelft reed.

Na de klap gleden ze samen naar haar kant van de weg, zei ze. Daarna naar Stefs kant en vervolgens weer naar haar kant. Twee auto’s in elkaar verstrengeld als boksers in een ring, die elkaar ten slotte loslaten. Een paar meter naast de auto van Stef kwam ze tot stilstand.

Ze zag hem zitten en probeerde haar gebarsten voorruit open te klauwen. Want ze wilde naar buiten klimmen en naar hem toe gaan om hem te helpen. Maar ze zat vast.

Er is geen bewijs voor de precieze toedracht. Er zijn alleen vermoedens. Maar maakt het iets uit? Iedere auto met bestuurder is op elk moment een potentiële moordmachine. Er was geen kwade opzet in het spel. Het was een ongelukkige samenloop van gebeurtenissen. Ook als de vermoedens bewezen zouden worden, verandert dat niets aan de situatie. We krijgen er niets door terug. Alleen terugkeren naar het moment zou iets kunnen veranderen. Teruggaan naar die dag. Het moment herstellen door de loop van die dag te veranderen. Een seconde later van huis weggaan, elkaar een paar seconden langer gedag zeggen, hem laten voelen dat ik van hem hou, omdat het de laatste keer kan zijn…

Maar teruggaan kan niet.

Ze voelt zich schuldig. De ander. Het vreet aan haar als een slopende ziekte die misschien wel even vernietigend is als haat.
Wat zou ík er beter van worden om het starende wezen in de ogen te kijken? Om me te laten meevoeren naar een donkere werkelijkheid? Wat zou me dat voor goeds brengen?
Er is nog zoveel om van te genieten. Ons fijne huis aan de oever van het meer. Nog zoveel wél mogelijk. Genieten van de simpele dingen.

Er is nog steeds samen, liefde en leven.

Alle afleveringen

Ook te lezen op de wereldwijven.