Esther Quatfass

De kamer voor de anhörigen op de intensive care afdeling was prima ingericht. Met een kleine keuken, toilet, douche en een bank waarop ik me kon opkrullen en doen alsof de wereld niet bestond.
Er zat altijd wel iemand te snotteren. In het voorbijgaan knikte ik die persoon dan even kort toe. Verder waren al mijn lichaamscellen, mijn hele universum eigenlijk, gericht op het enige dat nog bestond: Stef die met de helikopter werd overgeplaatst, en elk moment op het heliplatform van het universiteitsziekenhuis kon landen.

Hij werd beademd, in slaap gehouden, kreeg hoge dosissen pijnmedicatie en bloed toegediend en vast nog meer, want een wirwar aan slangetjes was op drie plaatsen aangesloten op zijn lichaam. Hij had drains, een katheter, de inhoud van zijn maag werd via een slang door zijn neus in een zakje opgevangen en na een paar operaties zaten zijn benen gefixeerd in metalen stellages en had hij een dubbele stoma. Waar ik normaal altijd alles wil begrijpen, waren dit zo veel onbekende dingen tegelijk bij elkaar, dat ik gedwongen werd om alles los te laten en maar af te wachten.

Dat je leven na zoiets ingrijpends op zijn kop staat, is niet waar. Je leven wordt verbrijzeld. De scherven en splinters worden door elkaar geschud en een deel schiet zo ver van je weg dat het voor eeuwig buiten bereik blijft.
Mensen zeggen dat ik sterk ben. Ook dat is niet waar. Het denken en handelen worden overgenomen door iets waarop je geen grip hebt. Het is niet hard werken, het gaat helemaal vanzelf. Het wordt pas weer mogelijk om te kiezen als de adrenaline is gedaald en de scherven en splinters hun nieuwe orde hebben gevonden.

Ik nam alles voor eigen rekening. Stef was er niet om mee te denken. Ook niet over zijn sledehondenkennel. Ik wilde de boel voor hem draaiende houden, hem de kans geven om terug te komen, maar hij zou in ieder geval maandenlang mijn hulp nodig hebben. Ik moest ons leven zo inrichten, dat het voor mij een haalbare kaart werd.
Terwijl hij nog in slaap was, verkocht ik de eerste honden. Ik hoopte vurig dat hij mijn beslissingen zou begrijpen. Sommige hadden jarenlang in zijn team gelopen. Hij kon geen afscheid nemen en had verder geen enkele inbreng. Maar we moesten inkrimpen. De artsen waren er duidelijk in: niets was zeker en het kon zelfs nog elk moment slecht aflopen met Stef.

Na vier dagen maakten we voor het eerst contact. Hij herkende me, wilde door mij worden aangeraakt en al snel ging zijn hand omhoog en maakte hij letters in de lucht. Van wat er was gebeurd, herinnerde hij zich niets en waarin hij verzeild was geraakt, drong maar moeizaam tot hem door. Het was wel duidelijk dat hij zich afvroeg wat hij in vredesnaam in dat bed lag te doen.

Ik hoor het hem nog zeggen: ‘Ik moet er niet aan denken, in een kliniek belanden en afhankelijk zijn van artsen die beslissen over je lichaam, over je leven.’ Om de een of andere reden hebben we het meerdere malen over dit scenario gehad. Als ze niets hadden gedaan, was hij pijnloos doodgebloed. Daar zou hij vrede mee hebben gehad, zei hij, al is dat iets raars om te zeggen, want hoe kun je na je dood nog ergens vrede mee hebben?

Maar de artsen hebben wel iets gedaan. Ze hebben alles uit de kast gehaald. En oh, wat ben ik daar blij om!

Waarom het is gebeurd, waaraan hij het heeft verdiend, waaraan wij het hebben verdiend, zijn onzinnige vragen – ik weet het – maar ze dringen zich toch op een of andere manier aan mij op. Niet gericht op het gebeurde zelf, of zelfs niet op de directe consequentie, maar gericht op de toekomst. Op wat we hieruit kunnen leren, want dát we ervan leren, staat vast. Star vasthouden aan iets wat er niet meer is, maakt op den duur alleen maar ongelukkig. Zonder veerkracht is het onmogelijk je aan te passen aan veranderingen.

Alle afleveringen

Ook te lezen op de wereldwijven.