Esther Quatfass

Soms denk ik met weemoed aan Estland. Aan de plek in het bos waar we woonden. In Estland is alles begonnen. Onze wereld samen. Alles lag er nog open. We waren verliefd. We waren jonger en Stef kon alles nog.

Wat ben ik blij dat het ongeluk niet daar is gebeurd. Ik weet eigenlijk wel zeker dat hij er onder dezelfde omstandigheden zou zijn doodgegaan.

Ik heb het zeven jaar in Estland uitgehouden. In een blokhut met karakter. Dikke balken muren. Een buiten-wc en vierhonderd vierkante kilometer bos als achtertuin. Reusachtige naaldbomen op een dik bed van mos, waar in de zomer en herfst cantharellen, bessen, frambozen en wilde aardbeien groeiden, die we bijna met niemand hoefden te delen.
Ik voelde mij er meer thuis dan ooit. Tot ik in contact kwam met de mensen die er woonden. Ik vond dat ze op robots leken en alles en iedereen wantrouwen leek er de norm te zijn.
Op den duur begon zelfs het bos vijandig aan te voelen en werd ik een schim van mezelf. De rest van mijn leven in dat getraumatiseerde land blijven, no way dacht ik. Het was het tegenovergestelde van wat ik verwachtte te vinden toen ik uit Nederland wegging. Gevangenschap in plaats van vrijheid.
Toch mis ik Estland soms. Want Stef floreerde daar. Ik mis het hoe hij daar altijd energiek en vol werklust rondliep. Hoe hij altijd wel een hond, trainingskar, auto, of een stuk gereedschap in zijn handen had om er iets mee te doen.

Maar het uiterlijk is ondergeschikt aan het innerlijk en innerlijk is hij nog precies dezelfde man. Zijn wil schemert door in zijn revalidatie. De chirurg die hem op de spoedeisende hulp hielp, was verbaasd te horen dat hij nog leefde. In het ziekenhuis stonden de zusters en dokters versteld hoeveel hij met slechts één arm kon doen. Zich optrekken, afduwen, opzij schuiven en na wat oefenen met maar een klein beetje hulp in en uit een rolstoel komen.
Maar hoewel hij vooruit gaat, is het moeilijk om niet méér te willen. Om niet te vergelijken met de situatie van voor het ongeluk. Het is een breuk in de tijd geworden. Een beginpunt en een eindpunt. Een moment van waaraf je opnieuw begint te rekenen. Er zal altijd een vóór en een ná ‘het ongeluk’ zijn. Een Stef van vóór en een Stef van ná het ongeluk. Avonturen van ervóór en avonturen van erná.

Wat hoop ik daarop. Dat er nog nieuwe avonturen zullen volgen. We kunnen niet meer zomaar in de auto springen en ergens naartoe rijden. Ergens kamperen. De wijde omgeving verkennen, zoals we altijd deden. Verhuizen. Emigreren. Een nieuwe mooie plek zoeken om van te genieten. Maar op de een of andere manier moeten we het toch voor elkaar kunnen krijgen om niet aan huis gekluisterd te hoeven leven. Want hoe prachtig we ook wonen, aan de oever van een meer middenin het bos, de drang om verder te trekken blijft.