Esther Quatfass

Kurat

‘Kurat! Nou lekt dat ding hier ook al,’ roept Mihkel uit. ‘Pak nog eens een emmer!’ Het gaat niet zoals hij wil. Sinds de verhuizing van Estland naar Zweden maakt hij regelmatig woeste geluiden en stormachtige bewegingen, waardoor het even lijkt of hij zowel de zanger als de drummer in een metalband is. De emmer had er al moeten staan voordat het lek ontstond. De boiler had al aangesloten moeten zijn. Het huis al af, ons leven op orde.
Ik ren naar buiten. De oude badkamer ligt in stukken op de grond. Daarachter een magnifiek meer omringd door naaldbos. Ik zie een emmer en neem hem mee naar binnen, waar Mihkel met een waterpomptang aan een koppelstuk van de boiler trekt die hij in Estland heeft gekocht. De dag voor we de veerboot opgingen. Onze jeep volgestouwd met huisraad en Mihkels beeldhouwwerken en mijn kippen in de trailer. Het is er een die op hout gestookt moet worden. Onderin zit een deurtje en daarachter een holletje voor het vuur.
‘Zodat we in Zweden geen hoge elektriciteitsrekeningen krijgen,’ zei hij met een mengeling van tevredenheid en irritatie. Daarna sjorde hij de kolos op het bagagerek vast en reed het land af.

‘Au, shit!’ Hij onderzoekt zijn bloedende vinger en veegt de snee aan zijn T-shirt af. ‘Je zei dat er in Estland alleen maar troep wordt verkocht? Nou, hier kunnen ze er ook wat van, hoor,’ klinkt het onder zijn oksel vandaan. Nadat hij is opgestaan loopt hij de eerste meters naar de gereedschapskist voorovergebogen. ‘Alleen is hier alles een stuk duurder,’ snauwt hij, wrijvend over zijn onderrug.
We zijn bijna door het geld heen. Aan de nieuwe opdrachten kan hij echter niet beginnen zonder een Zweeds persoonsnummer. Zes weken geleden vroegen we het al aan. Bureaucratie is Mihkels grootste vijand. Een klauw die hem bij zijn strot grijpt en hem naar beneden trekt, waardoor hij steeds krommer gaat lopen.
‘Maar de Zweden zijn wel heel vriendelijk!’ zeg ik, terwijl ik de somberheid van de mensen in Estland, die daar als een verstikkende deken om mij heen hing, nog zo kan bovenhalen.
‘Vriendelijk? Ronduit bemoeiziek! Gisteren de buurman over de vloer. De dag ervoor dat mens van de gemeente, met al haar vragen. Hebben die lui geen eigen leven of zo?’
Ik schud mijn hoofd.
Het valt me op dat Mihkels wallen hier in Zweden donkerder zijn en zijn haren doffer. Zijn huid lijkt zelfs witter. De laatste tijd zegt hij vaak: ‘De vraag is niet óf, maar wanneer ik een attaque krijg.’
‘Je bedoelt dat je liever hebt dat de mensen hier, net als in Estland, geen moer om elkaar geven,’ zeg ik kregelig.
‘Als jij het zo wilt noemen. Ik noem het zelfstandigheid.’ Hij tikt tegen een rotte plank naast de boiler en geeft een ruk aan een hendel die niet van zijn plaats wijkt. ‘Van bouwen hebben ze hier ook al geen verstand. Geef mij maar weer een massieve blokhut.’
Ik wil hem herinneren aan de sluimerende corruptie in Estland en de wantrouwende, willoze mensen, die nog steeds gebukt gaan onder het Russische bewind, hoewel dat er allang niet meer is.
‘Hier is tenminste geen dronken buurman die ons gereedschap komt jatten,’ zeg ik, maar ik weet al wat hij denkt. Hier is alles duurder. Hier zijn meer regels en zijn vrijheid is beperkter. Dat laatste vindt hij nog het ergst.
Ik stop Estland in het diepste kamertje van mijn geheugen, sluit zachtjes de deur en kijk naar de gietijzeren kachel.
‘Ik heb toch zo’n zin in de winter,’ mompel ik.
Weer een vloek. In het Ests, en Mihkels verbeten gezicht dat weerspiegelt in het witte email van de boiler.
‘Vanavond ga ik lekker voor ons koken.’
‘Repareer liever de jeep.’ Hij smijt een hamer naar de leiding, waarop de hendel losschiet en het water tegen de muur spuit. Hij rent naar de hoofdkraan en draait hem dicht, zijn wangen rood, zijn ogen gloeiende kolen.
Even later belandt de boiler onder luid gerinkel aan de andere kant van het raam. Mihkel springt langs het gebroken glas naar buiten. Hij tilt het ding op en kiepert het in het meer. Waterkringen breiden zich uit rondom het schommelende gevaarte. Dan draait hij zich grijnzend om.
‘Zo, daar hebben we geen last meer van.’
Als ik naast hem sta, zeg ik zacht: ‘Geen warme douche vanavond.’
‘Nee. Maar wel een koud bad, hier vlak voor de deur, precies zoals je wilde.’
‘Zou je liever teruggaan?’ vraag ik voorzichtig.
‘Terug? Ik heb daar geen huis meer.’
‘We kopen een nieuw huis.’
‘Waarmee? Met jouw kippen zeker?’
‘We verkopen dit huis.’
‘Dit huis wil niemand hebben. Het heeft veertig jaar leeggestaan.’
‘Wij wilden het hebben.’
‘Jij wilde het hebben.’
Ik frons geërgerd. ‘Jij ook, anders zat je hier nu niet.’
‘Ik zit hier voor jou.’
‘Onzin. Je gaat toch niet voor iemand anders emigreren?’
‘Jij wilde het. Voor jou heb ik alles in de steek gelaten.’
Ik doe een stap opzij.
‘Oh, dus nu is het mijn schuld dat jouw leven overhoop ligt? Mooi is dat. Jij moet geen dingen doen waar je zelf niet achter staat! Waarom heb je dat gedaan?’
‘Zodat jij niet bij me weggaat.’
‘Bij je weggaan?’
‘Als ik in Estland had willen blijven, dan had je me verlaten, Eline.’
Ik kijk hem verbaasd aan, draai me dan om en loop weg.

‘Zie je wel, doe maar net alsof het er allemaal niet is. De troep. Dit huis, dat bijna uit elkaar valt. En wie moet het verbouwen?!’
Een moment is het stil, dan hoor ik hem zeggen: ‘Dat andere raam kan eigenlijk ook wel weg.’
Vanuit mijn ooghoek zie ik hem de koevoet optillen.
‘Wat doe je nou? Stop daarmee!’ Ik ren naar hem toe en omklem zijn arm.
Dreigend kijkt hij me aan. Radeloos zoek ik naar de geheimzinnige blik waarmee hij mij aankeek in het atelier toen ik hem leerde kennen, maar ik zie enkel haat.
Nadat hij mij van zich heeft afgeschud gaat het tweede raam eraan. Zijn arm bloedt. Hij grijpt naar de kettingzaag, trekt aan het startkoord en zet het gierende blad tegen de buitenmuur van het huis.
‘Ben je helemaal gek geworden!’ roep ik, maar mijn stem lost op in het gegil van de zaag.
Ik draai me naar de roeiboot om die bij het huis zat toen we het kochten. Aan de overkant van vijfhonderd meter water komt een bosweg uit bij een huis.
De kippen, bedenk ik me, en ik haast me naar de schuur.
Naast een houten everzwijn met ijzeren hoeven tref ik Stellabelle aan, pikkend naar Mevrouw Pärt. Veertjes dwarrelen in het zonlicht dat zich door een smoezelig raam naar binnen wurmt.
‘Hé, hou daarmee op!’ Met wapperende handen jaag ik ze uit elkaar. ‘Gaan jullie nu ook al beginnen? Ik wist het wel, we hadden nooit Estse kippen moeten kopen. Die maken alleen maar ruzie.’ Woedend draai ik me om. ‘Jullie blijven maar mooi hier!’

Buiten zie ik dat Mihkel een stuk uit de muur van het huis heeft gezaagd. Wijdbeens staat hij me aan te staren.
‘Kijk, zo hebben we ruimte voor een aanbouw. Die wilde je toch zo graag? En hier,’ zegt hij, wijzend naar een andere muur, ‘komt een serre. Ik zal er nu meteen plek voor maken. Slopen is makkelijk. Waren de Russen ook goed in. Net als jij trouwens. We hadden het daar fijn samen, Eline. Jij snapt er gewoon niks van hoe moeilijk het is om Estland weer op te bouwen!’
De zaag giert als hij hem tegen de muur zet.
Ik ren naar de boot toe, schuif die in het water en spring in de kuip. Met de roeispaan probeer ik me van de kant af te duwen als ik de zaag hoor stilvallen.
‘Wat ben jij van plan?’ roept Mihkel.
Koortsachtig stoot ik de roeispaan in het water tot hij de zandbodem raakt. Terwijl ik Mihkel op me af zie komen, geef ik een harde duw en de boot glijdt een stukje naar achteren. Mihkel begint te rennen. Opnieuw probeer ik de boot af te duwen. De roeispaan gaat steeds dieper voor hij houvast op de bodem vindt. Dan komt de boot plotseling los. Wankelend ga ik zitten om te kunnen roeien.
Mihkel rent het water in. Hij springt op me af. Zijn handen raken de rand van de boot. Maar zijn vingers glijden weg en ik zie hem kopje onder gaan.

Wanneer mijn armen verzuren schalt Mihkels stem over het water.
‘Hé, Eline! Kijk! Vanavond eet ik kippensoep!’
Zijn vuist omklemt de nek van Stellabelle, die spartelend en krijsend probeert los te komen.
Boos knijp ik mijn ogen tot spleetjes en ik mompel: ‘Eet smakelijk.’

‘Kurat’ werd genomineerd in 2015 voor de Dubutantenschrijfwedstrijd Editio en NRC Boeken en gepubliceerd in de Editio Debutantenbundel.Vakjuri commentaar: ‘Een beklemmende en goed opgebouwde vertelling in de sfeer van David Vann over een stel dat probeert hun relatie te redden in Zweden.’