Uit liefde

De derde dag

De lift is oud, maar zweeft geruisloos omhoog naar de palliatieve zorgafdeling, alsof de bewegende onderdelen pas geolied zijn. Een spiegel beslaat zo ongeveer de gehele muur naast hem, waardoor hij zijn eigen strenge blik onmogelijk kan ontwijken. De blik is onderdeel van het probleem dat hij in het bos niet heeft, maar wat hem hier in de stad achtervolgt als een hongerig roofdier.

Hij had haar thuis moeten houden. Dat stampt al drie dagen door zijn hoofd en houdt er een doffe pijn op gang.

Voor hij de code indrukt om de deur naar de afdeling te ontgrendelen, haalt hij diep adem, om vervolgens, strak naar het einde van de gang kijkend, koers te zetten naar haar kamer.

Zijn rubberen schoenzolen komen bij iedere stap zacht knetterend los van de vloer. Morgen zal hij zijn andere schoenen weer moeten aandoen, die niet zo plakken aan het beige vinyl.

Hij spoedt langs schilderijtjes achter glazen platen tegen lichtgele muren. Overal kleuren die een warme thuissfeer nabootsen, maar alles in materialen die met water en desinfectiemiddel zijn af te nemen. Geen hout.

Knetterdeknetter. Hoe sneller hij loopt, hoe kleiner de kans is dat ze hem vanuit de koffiekamer zullen aanspreken. Als schimmen verschijnen ze aan de randen van zijn gezichtsveld, maar hij geeft ze geen gelegenheid, hij houdt zijn blik ver vooruit gericht op een punt waar ze hem niet kunnen bereiken.

Bijna is hij er. Dan schiet er eentje uit een kamer en blokkeert hem de doorgang.

‘Hé, dag, Steyn! Steyn was het toch? Wat leuk dat je je moeder weer komt opzoeken. Ze boft maar met zo’n toegewijde zoon.’

Met haar vrolijke, heldere stem lijkt ze haast wel op een ander wezen, een vreemde levensvorm van een planeet ver weg.

Hij weet niet wat hij moet zeggen.

‘Hoe gaat het met je?’

Haar vraag dringt door het gesuis in zijn oren. Zweetdruppels glijden vanonder zijn oksels langs zijn zij naar zijn middel en verdwijnen in de stof van zijn kleren.

‘Ja … wel goed …’

Hij begint weer te lopen, met een boog om haar heen, eerst langzaam, alsof ze het dan misschien niet doorheeft, maar als ze blijft zwijgen, durft hij sneller te gaan. Ten slotte vlucht hij zijn moeders kamer in. Godzijdank … ze ligt er nog steeds in haar eentje.

De volgende dag

Het gaat er alleen maar om dat hij het scherpe randje kwijtraakt. Op de een of andere manier moet hij de bezoeken aangenamer voor zichzelf kunnen maken, anders zijn ze niet vol te houden. Een half glas zal te veel zijn. Een kwart glas misschien net te weinig. Een derde, ja, hij schenkt de wijn in en houdt de kelk voor zijn ogen om de hoeveelheid keurend vast te stellen. Zo zal het genoeg zijn, maar hem geen moeilijkheden bezorgen.

Achter elkaar drinkt hij het op.

Net als hij langsloopt, komen ze de koffiekamer uit. Drie keer klinkt het vrolijk: ‘Dag, Steyn.’

De alcohol doet zijn werk niet. Hij kan niets terugzeggen, kan niets verzinnen.

Twee lopen er weg zonder zijn reactie af te wachten. Lachend door de gang. Lachen ze hem uit?

De derde blijft staan en laat het bloed door zijn aderen suizen.

‘Hoe gaat het met je?’

Hij voelt zijn glimlach, maar dat is alles wat de vijfentachtig centiliter Vidal Icewine weet te bewerkstelligen.

‘Je moeder is hier al een beetje gewend,’ zegt ze.

Hij knikt wat.

‘Dat komt ook door jou. We vinden het allemaal zo lief dat je elke dag komt.’

Een brij woorden spookt door zijn hoofd, maar hij weet niet waar hij moet beginnen. Dat is de kern van het probleem. Niets zeggen is makkelijker dan te proberen om de complexe werkelijkheid van zijn gedachten simpel samen te vatten. Elke korte reactie lijkt waardeloos doordat hij geen recht doet aan zijn denkwereld, maar voor een lang verhaal hebben de mensen geen geduld.

Hij verlangt naar de tijd die vier dagen geleden is opgehouden te bestaan. Hij en zijn moeder samen thuis. Hij is niet lief. Daar heeft het niets mee te maken. Zijn moeder is zijn leven. Zijn manier van leven.

‘Nou, veel plezier bij je moeder.’

Met een vluchtig gebaar strijkt ze hem over zijn bovenarm, waardoor hij als door een wesp gestoken naar achteren stapt.

Peilend kijkt ze hem aan.

‘Als je iets nodig hebt, dan zeg je het maar.’

Weer een dag

Hij neemt geen wijn meer. Als hij onderweg controle krijgt, pakken ze hem zijn rijbewijs af en dan kan hij niet meer naar haar toe. Maar het lukt hem om haar kamer ongezien te bereiken.

Door de ramen ziet hij andere grauwe gebouwen en mensen achter andere ramen. Hij loopt erheen en sluit de gordijnen.

Ze hoort dat hij er is, want ze opent haar ogen. In haar blik ligt een twinkeling en hij slaakt een zucht van voldoening. Thuis zijn er geen twinkelingen meer, dus laat hij zich erdoor bedruipen, want hij zal er bijna een etmaal op moeten teren.

Glimlachend pakt hij haar hand vast en denkt aan hoe ze vorig jaar in deze tijd paddenstoelen plukten. Deze herfst moet hij de soep voor het eerst zelf maken.

Met nauwelijks waarneembare kracht trekt ze hem naar zich toe.

Hij gaat op de bedrand zitten, buigt zich over haar fragiele gestalte heen, legt een hand op haar kruin en zijn wang op haar borst. Gewichtsloos. Het gewicht van zijn hoofd is al sinds lange tijd te zwaar voor haar, dus blijft hij het zelf dragen en luistert ondertussen naar haar ademhaling, haar piepende longen die voor de helft door de kwaadaardige cellen zijn opgeteerd. De ziekte wint snel terrein. Zonder een zuurstofmasker op komt ze de nachten niet meer door en sinds ze hier is, draagt ze een luier.

Iemand komt de kamer in, waardoor het moment kapot scheurt en zijn hartslag omhoog schiet. Met tegenzin gaat hij rechtop zitten.

‘Alsjeblieft. Koffie. Ik dacht dat je daar wel trek in had.’

Terwijl zijn T-shirt nat wordt van de transpiratie, zet ze een mok op het tafeltje neer.

Koffie, denkt hij, als ik koffie had willen hebben, dan had ik die zelf wel meegenomen.

‘En hoe gaat het met u, mevrouw Edvardson?’

Acht uur per dag heeft ze de tijd om het aan zijn moeder te vragen, maar ze moet het uitgerekend komen doen als híj hier is. Hij wil de koffie in haar gezicht plenzen, haar op de een of andere manier doen verdwijnen. Slechts een paar uur kan hij met zijn moeder doorbrengen, daar wil hij geen minuut vanaf laten peuzelen. Nog geen seconde.

De eerste dag niet

Als de geit gemolken is, voert hij de kippen en het varken. Hij maakt het huis schoon en veegt de stal aan. Trek om te eten heeft hij niet.

Telkens kijkt hij op zijn horloge, of naar de klok aan de muur in het huis. Hij had allang moeten vertrekken, maar is bang voor de druk op zijn borst en voor zijn hart dat zal proberen om uit zijn ribbenkast te breken.

Toch loopt hij naar de auto en gaat achter het stuur zitten. Hij steekt de sleutel in het slot en start de motor.

Hij kijkt de bosweg af, dan op zijn horloge, weer naar de bosweg, zijn horloge en doet tenslotte de motor weer uit.

In de kille woonkamer is de zitting van de bank koud en stug.

Ze ligt op hem te wachten. Wat zal ze denken? Misschien dat hij een ongeluk heeft gehad, of dat hij het gasfornuis is vergeten uit te zetten en het huis in brand staat, of misschien wel dat hij nooit meer zal komen.

Met vlakke hand slaat hij zichzelf op zijn voorhoofd en knijpt daarbij zijn ogen dicht. Een paar weken nog maar, hooguit een paar maanden, maar sinds ze daar is, is er elke dag de angst, het zweet en het felle kloppen van zijn hart.

De dag

De bosweg is langer dan op de voorbije dagen en de omgeving vervaagd tot een koude onscherpte.

Aan haar bed strijkt hij over haar ingevallen wangen. Haar huid is broos als de vleugels van een vlinder. Hij strijkt over haar haren, die ze niet in een vlecht bij elkaar hebben gebonden, dus zal hij dat alsnog doen. Om er de ruimte voor te hebben, schuift hij het kussen onder haar hoofd vandaan.

Haar ogen draaien af en toe naar boven.

‘Lieve mama,’ mompelt hij.

Ze glimlacht en twinkelt.

Het kussen is dik en zacht.

Het gaat snel, zo snel, zo makkelijk, als een vis tussen zijn vingers glijdt ze weg.

Hij legt het kussen terug onder haar hoofd, duwt zachtjes haar ogen dicht en geeft haar nog een laatste zoen. Dan verlaat hij ongezien de afdeling.